Veelgestelde vragen
Mijn kind is boos of heeft woedeaanvallen. Wat kan ik doen?
Opvoeden blijft een lastige kwestie. Elke ouder heeft vragen hoe hij iets het beste kan aanpakken. Daarom stellen we elke week een vraag aan een expert. Deze week geeft kinderpsycholoog Mirjam de Nijs antwoord op de vraag: mijn kind heeft woedeaanvallen, wat kan ik doen?
De ene ouder krijgt hier meer mee te maken dan de andere, maar wat kan je het beste wel en niet doen als jouw kind woedeaanvallen heeft? En wat zit er vaak achter die aanvallen?
Functies van gevoelens
“Elk gevoel heeft een functie, ze geven ons een boodschap, een belangrijk signaal. Dat maakt dat gevoelens eigenlijk heel erg nuttig zijn”, vertelt De Nijs. “Wanneer je bang bent voor iets, wordt je lichaam klaargemaakt om goed op te kunnen letten en alles om jou heen op te merken. Het gevoel maakt je klaar voor mogelijk gevaar.
Een boos gevoel geeft aan dat er iets moet veranderen, want de situatie van dit moment vind je niet oké. Iets of iemand verhindert jou om je doel te halen. En het boze gevoel helpt je om aan te geven dat je in actie schiet om de situatie te veranderen.
Wanneer je gaat zien dat gevoelens een belangrijke boodschap hebben en niet eeuwig blijven bestaan, kun je er ook anders naar gaan kijken. Je kunt oefenen met het gevoel er laten zijn. Jouw kind geeft dus ook een signaal met zijn of haar woedeaanval.
Wat zit er onder de woede?
Je kind geeft dus een signaal met zijn woedeaanval. Er is iets aan de hand, maar wat? Dit kan werkelijk van alles zijn, denk aan pesten, oneerlijke behandeling of zich onder druk gezet voelen. Misschien heeft je kind wel enorme twijfel, een laag zelfbeeld of gevoelens van machteloosheid. Moe of hongerig zijn kan ook meespelen.
Wat kan helpen om de woede beter te begrijpen, is om op een rustig moment samen met je kind te gaan zitten. Praat eens over waar jijzelf boos van kunt worden, wat jouw uitlokkers zijn. Stel dan de vraag aan je kind waar hij boos van kan worden en maak samen een rijtje uitlokkers. Praat erover en kom erachter waarom jullie zo boos worden. Zo krijgt je kind meer begrip voor zijn gevoelens en leert hij dat hij zijn gevoelens mag uiten en delen met anderen en erover kan praten.
Ook woede hoort erbij
Op de een of andere manier vinden wij boosheid of woede een moeilijk gevoel om mee om te gaan, terwijl dit gevoel net zo normaal is als blij, verdrietig of bang zijn. Boosheid is een complexe emotie, vaak ook omdat je van jongs af aan hebt geleerd dat boos zijn onaanvaardbaar is. Misschien leerde je wel om de boosheid te negeren, door je humeur erdoor te laten beïnvloeden, door uit te halen met woorden of door te schreeuwen of te slaan. Kinderen volgen de voorbeelden van volwassenen, waardoor je vaak ziet dat zij op een gelijkwaardige manier omgaan met woede, net zoals hun ouders.
Voor kinderen is het belangrijk om zich veilig genoeg te voelen, zodat ze alle gevoelens die ze ervaren kunnen uiten. Uiteraard zitten hier ook grenzen aan. Geef duidelijk aan dat je boos mag zijn, maar dat er niet wordt geslagen of geschopt. Dit is een positieve boodschap, maar niet genoeg. Belangrijk is om daarna samen te onderzoeken wat je kind nodig heeft wanneer hij boos is, waarom hij boos is en hoe om te gaan met dit soort uitlokkers.
Wat kun jij je kind leren?
Samen praten over hoe je kunt omgaan met de uitlokkers is helpend. Bedenk met elkaar een aantal oplossingen, schrijf ze allemaal op, ook diegene waarvan je misschien direct al weet dat dit geen goede oplossing is. Streep dan de oplossing weg die het niet wordt, bespreek bij welke oplossing er twijfel is en wat de beste oplossing is. Dit kun je doen bij verzonnen situaties, maar ook bij echte situaties. Zo leert je kind anticiperen, hulp vragen en creatief te zijn in oplossingen bedenken.
Vaak hebben kinderen woedeaanvallen omdat ze niet weten hoe ze hun gevoelens op een andere manier kunnen uiten. Wanneer jij je kind helpt om woorden te geven aan sterke emoties, helpt dit jouw kind om zijn gevoelens te begrijpen en duidelijk te kunnen verwoorden. Geef hierin zelf het goede voorbeeld. Wanneer jij boos bent, geef dan aan dat je even gaat wandelen om te kalmeren, omdat je te boos bent om nu te praten. Benoem dat wanneer je gekalmeerd bent, je erover praat om uit te zoeken wat je kan doen met de situatie die je boos maakte.
Praat ook over de verschillende gradaties van boos zijn. Hierbij kun je een gevoelsthermometer gebruiken waarop je kind per situatie aangeeft hoe boos hij ervan wordt. Zo krijgt je kind ook meer inzicht in wanneer zijn boosheid oploopt. Wanneer je kind de boosheid beter voelt aankomen, kan hij ook eerder zelf ingrijpen.”
Deze informatie is afkomstig van: JM Ouders
Mijn kind maakt een scheiding mee. Wat kan ik doen?
Als je gaat scheiden, blijf je samen de ouders van jullie kinderen. Hoe reageren kinderen op een scheiding? Hoe kun je je kind beschermen en steunen? Wat doet een scheiding met jou als ouder en wat als je ruzie blijft houden?
Hoe vertel je een kind over een scheiding?
Het is meestal niet makkelijk om je kind of kinderen te vertellen dat jullie gaan scheiden. Hoe kun je dat het beste doen?
- Vertel samen dat jullie gaan scheiden. Kies hier een rustige plek voor en neem er de tijd voor.
- Vertel dat jullie als ouders gaan scheiden, maar dat jullie niet van je kind gaan scheiden. Dat jullie allebei van je kind houden en blijven houden. En dat het niet de schuld is van je kind. Wees daar duidelijk in. Geef ruimte voor en erkenning aan de gevoelens van je kind of kinderen.
- Betrek je kind niet in jullie problemen.
- Maak duidelijk wat de scheiding voor je kind betekent. Geef je kind de ruimte om daarin zijn of haar eigen weg te vinden.
Informeer zelf de school, kinderopvang, de huisarts en eventuele verenigingen waar je kind bij zit over jullie scheiding.
Hoe kan je kind reageren op de scheiding?
Kinderen reageren heel verschillend op een scheiding van hun ouders. De volgende reacties zijn mogelijk:
- Je kind kan schrikken, boos, bang of verdrietig worden.
- Je kind zich schuldig voelen en bang zijn dat het aan hem of haar ligt.
- Door de onzekerheid die door een scheiding ontstaat, kan je kind zich lastig gaan gedragen of juist heel stil worden. Sommige kinderen gaan zich weer ‘jonger gedragen’.
- Kinderen kunnen zich machteloos voelen en raken soms een deel van hun zelfvertrouwen kwijt.
- Een ouder kind kan zich schamen tegenover anderen.
- Een jonger kind begrijpt vaak niet wat het gaat betekenen en kan heel onverschillig of helemaal niet reageren op het nieuws. Maar ze kunnen er wel last van hebben als er ruzies zijn. Een jong kind kan gevoelens nog niet goed onder woorden brengen. Sommige kinderen krijgen last van angsten, lichamelijke klachten zoals buikpijn, of problemen op school.
- Soms verliest een kind het vertrouwen in de wereld om hem of haar heen. Vooral als alles verandert: als niet alleen je ouders uit elkaar gaan maar je ook moet verhuizen en naar een andere school moet. Dat kan een onveilig gevoel geven. Het kan helpen om te benadrukken wat er wel hetzelfde blijft.
- De scheiding kan ook een opluchting zijn voor je kind, omdat er een einde komt aan de spanningen en ruzies in huis.
- Een scheiding zal altijd invloed hebben op een kind. Maar met de meeste kinderen gaat het na een jaar of twee weer goed. Hun ontwikkeling is dan weer ongeveer gelijk met die van leeftijdsgenoten zonder gescheiden ouders. Gezinnen zijn dan meestal gewend geraakt aan de nieuwe situatie en het nieuwe ritme. Andere dingen dan de scheiding worden belangrijker.
Hoe ga je om met je kind na een scheiding?
Je kunt je kind het beste ondersteunen en begeleiden door het liefde en aandacht te geven.
- Laat je kind vertellen over zijn of haar gevoelens en neem ze serieus. Vraag er ook actief en regelmatig naar. Ga er geen discussie over aan en zeg niet dat het zich zo niet hoeft te voelen. Hij of zij voelt zich nu eenmaal zo. Het is heel belangrijk dat een kind zich kan uiten. Zo voorkom je ook moeilijk gedrag.
- Ook als ze er niet over willen praten is dat natuurlijk helemaal goed. Als je kind maar weet dat er ruimte voor is, als hij of zij behoefte heeft om te praten.
- Vertel je kind dat het altijd vragen mag stellen, wanneer en hoe ingewikkeld ook. Dat helpt je kind om het verlies een plek te geven.
- Geef een paar keer per dag alle aandacht aan je kind. Laat het dan vooral over hem of haar gaan.
- Besef ook dat niet alle gedrag met de scheiding te maken heeft. Kinderen ontwikkelen zich ook gewoon verder. Ander gedrag hoort soms gewoon bij een nieuwe fase.
- Misschien kun je als ouder de gevoelens van je kind er niet bij hebben, omdat je het zelf heel moeilijk hebt met de scheiding. Kijk dan of je iemand anders kunt vinden, die je kind in deze moeilijke periode op kan vangen. En bespreek je problemen met andere volwassenen die jou kunnen steunen.
Hoe bescherm je je kind tegen de gevolgen van een scheiding?
De volgende tips kunnen helpen om het je kind makkelijker te maken bij een scheiding:
Niet hoeven kiezen tussen ouders
Een kind voelt zich verbonden met beide ouders en is meestal loyaal (trouw) aan allebei de ouders. Dat maakt een scheiding vaak moeilijk voor kinderen. Misschien heeft je kind het gevoel dat het moet kiezen tussen jullie. Of je kind is bang dat de andere ouder hem of haar mist en voelt zich (te) verantwoordelijk. Oudere kinderen bemiddelen soms tussen hun ouders.
Het is heel belangrijk dat je kind de ruimte voelt om van allebei de ouders evenveel te mogen houden.
Vraag je kind nooit om te kiezen. Je kind kan zich dan van binnen verscheurd of schuldig voelen. Dit kan ook invloed hebben op het zelfbeeld, zelfvertrouwen en gedrag van je kind.
Zeg geen nare dingen over je ex-partner, ook al ben je zelf boos of verdrietig. Maak ook geen ruzie waar je kind bij is.
Als ouders na de scheiding veel ruzie blijven maken, zijn de gevolgen van een scheiding voor je kind groter. Een goede band met beide ouders vermindert de kans op problemen na scheiding.
Vrienden en steunfiguren blijven zien
Het is heel belangrijk dat je kind nog mensen kan zien op wie het kan rekenen en vertrouwen. Bijvoorbeeld een familielid is, een buurvrouw of een huisvriend waar je kind goed mee overweg kan.
Goede vrienden zijn ook belangrijk; kinderen van gescheiden ouders die goeie vrienden hebben, verwerken een scheiding makkelijker dan kinderen zonder echt goede vrienden.
Het is dus het beste voor het kind als het kan blijven wonen waar het woonde. En het mogelijk te maken dat je kind zijn of haar vriend(en) blijft zien.
Contact houden met familie
Een kind verliest soms door de scheiding contact met een deel van de familie. Of het contact wordt minder of verandert. Als het kan, is het fijn als je kind contact kan houden met de familie van beide ouders. Al is het door te facetimen, te bellen of met e-mail.
Sommige kinderen willen dit niet, of voelen de ruimte bij (een van) hun ouders niet. Ga dan niet pushen of dwingen, dat maakt het nog moeilijker voor je kind.
Blijven opvoeden
Je kunt schuldgevoelens hebben omdat je kind een scheiding door moet maken. Let erop dat je je kind niet gaat verwennen uit schuldgevoel. Dat helpt niet.
Blijf in je rol als ouder, blijf opvoeden en grenzen stellen. Dat geeft houvast en veiligheid, en dat is belangrijk in een tijd waarin er zoveel verandert. Je hoeft niet heel streng te zijn, als je maar duidelijk bent.
Hoe houd je rekening met je kind bij de afspraken die jullie maken?
Als jullie als ouders apart gaan wonen en de zorg gaan verdelen, moet je een aantal afspraken maken.
Die afspraken leggen jullie vast in het ouderschapsplan.
Wat is een ouderschapsplan?
Soms neemt één ouder de meeste zorg op zich, sommige ouders kiezen voor co-ouderschap. Het gaat er om wat het best past bij jullie mogelijkheden en bij de kinderen.
Het is belangrijk om je kinderen te betrekken bij de afspraken in het ouderschapsplan en rekening te houden met de wensen van je kind. Dit betekent niet dat er altijd gebeurt wat je kind wil. Want wat een kind wil, is niet per se het beste voor het kind. Jullie blijven als ouders verantwoordelijk.
Kom je er samen niet uit? Haal er dan iemand bij die onafhankelijk mee kan kijken, bijvoorbeeld een mediator.
Vertel je kind wanneer het bij wie het gaat wonen en leg de afspraken uit. Laat merken dat jullie het allebei eens zijn met de afspraken. Leg in gewone woorden uit waarom jullie dit zo besloten hebben. Laat je kind alle vragen stellen die het wil stellen. Laat ook weten dat het kind mag aangeven als hij of zij iets anders wil, dat jullie hier dan opnieuw naar willen kijken en het eventueel aan kunnen passen. Maak wel duidelijk dat jullie als ouders samen uiteindelijk beslissen.
Jullie zijn en blijven samen de ouders van je kind. Blijf daarom in contact met de andere ouder als het over de kinderen gaat.
Houd je aan de gemaakte afspraken. Werken ze niet, voor jou of voor je kind? Overleg dan met elkaar hoe het anders kan. En betrek je kind hierbij (afhankelijk van de leeftijd natuurlijk).
Laat je kind zelf beslissen welke persoonlijke spullen het meeneemt van de ene ouder naar de andere. Dwing je kind niet om te blijven slapen als je kind dat niet wil.
Wat doet een scheiding met jou als ouder?
Of je nu voor de scheiding hebt gekozen of niet, een scheiding betekent meestal een periode van veel emoties. Afscheid nemen van wat zo mooi begonnen is, kan erg pijnlijk zijn. Je verliest het samen zijn als gezin en als partners en misschien het toekomstbeeld dat je daarbij had. Soms raak je ook je veilige woonplek kwijt. Je kunt er ook financieel op achteruit gaan.
Maar een scheiding kan ook opluchting brengen.
Als je helemaal niet wilde scheiden, maar geen keus had, kan het extra moeilijk zijn om het te accepteren.
Zoek volwassenen om je heen om mee te praten. Weet je geen vrienden of familieleden met wie dat kan? Bespreek met de huisarts of bij de jeugdgezondheidszorg bij wie je terecht zou kunnen.
Wat als je ruzie blijft maken na een scheiding?
Soms lukt het ouders door hun eigen gevoelens niet om het belang van de kinderen op de eerste plaats te zetten. Door hun eigen boosheid, verdriet en stress kunnen ze niet goed samen ouder zijn en blijven ze ruzie maken.
Herken je dat? Zoek dan hulp voor jezelf, bijvoorbeeld bij een psycholoog. Zo help je jezelf verder en voorkom je psychische problemen van je kind.
Deze informatie is afkomstig uit de GroeiGids.
Ik vermoed dat mijn kind dyslexie of dyscalculie heeft. Wat kan ik doen?
Sommige kinderen blijven moeite houden met lezen of rekenen, ook als ze goed hun best doen. Ze oefenen veel, maar het lukt niet zoals bij anderen. Orthopedagoog Jeroen legt uit wat dyslexie en dyscalculie zijn, hoe je het herkent bij je kind en wat je kunt doen als je je zorgen maakt.
Wat is dyslexie en wat is dyscalculie?
Dyslexie en dyscalculie zijn leerstoornissen. Je kind is niet lui of minder slim, maar zijn brein verwerkt informatie op een andere manier. Daardoor kost iets dat voor andere kinderen vanzelf gaat, hem juist heel veel moeite.
Dyslexie heeft te maken met taal. ‘Kinderen met dyslexie hebben vooral moeite met lezen en spelling’, legt Jeroen uit. ‘Ze lezen traag, maken veel fouten en vinden het lastig om letters aan klanken te verbinden. Hierdoor begrijpen ze soms ook minder goed wat ze lezen, omdat ze zoveel energie kwijt zijn aan het lezen zelf.’ Dyslexie valt meestal op als je kind leert lezen en schrijven in groep 3 of 4.
Dyscalculie gaat over rekenen. ‘Een kind met dyscalculie snapt bijvoorbeeld niet goed hoeveel iets is, of hoe je een som moet oplossen’, zegt Jeroen. ‘Tellen, tafels leren, geld rekenen of klokkijken zijn allemaal dingen die voor een kind met dyscalculie extra moeilijk kunnen zijn.’ Dyscalculie valt vaak later op dan dyslexie, bijvoorbeeld als het rekenen moeilijker wordt.
Hoe herken je dyslexie of dyscalculie bij je kind?
Het kan lastig zijn om te zien wat er precies aan de hand is. ‘Vaak hoor je van school dat je kind achterblijft’, vertelt Jeroen. ‘Maar het kan ook zijn dat je thuis merkt dat iets niet lukt, terwijl jullie wel veel oefenen.’
Bij dyslexie kun je merken dat je kind:
- langzaam of niet in één keer leest;
- veel fouten maakt bij het schrijven;
- letters of klanken omdraait;
- moeite heeft met spellingregels;
- lezen of schrijven probeert te vermijden.
Bij dyscalculie kun je merken dat je kind:
- sommige sommen lastig begrijpt;
- moeite heeft met tafels of klokkijken;
- in de war raakt bij stappenplannen, bijvoorbeeld bij een rekensom;
- cijfers verwisselt of veel rekenfouten maakt;
- weinig inzicht heeft in hoeveelheden of getallen.
‘Soms merk je ook dat je kind boos, onzeker of verdrietig wordt bij het maken van huiswerk. Of dat hij buikpijn krijgt. Dat komt doordat hij steeds merkt dat iets niet lukt, ook al doet hij hard zijn best. Dit kan ook voor faalangst zorgen.’
Wat kun je doen als je denkt dat je kind dyslexie of dyscalculie heeft?
Merk je dat je kind veel moeite blijft houden met lezen of rekenen? Dan is het goed om dit te bespreken met school. ‘Vaak is er al extra begeleiding mogelijk in de klas’, zegt Jeroen. ‘Als die hulp niet genoeg is, kan de school een onderzoek aanvragen. Dat gebeurt meestal via een intern begeleider of zorgcoördinator.’
Voor dyslexie en dyscalculie is er gespecialiseerde hulp. Bijvoorbeeld een dyslexiebehandeling of extra begeleiding bij rekenen. ‘Hoe eerder je erbij bent, hoe beter de hulp past bij wat je kind nodig heeft. En hoe minder groot de achterstand wordt.’
Met deze tips kan je als ouder ook helpen:
- Blijf positief en geef complimenten voor de moeite die je kind doet, niet alleen voor het resultaat.
- Help met oefenen, maar maak de opdrachten niet te moeilijk.
- Lees samen en maak er iets gezelligs van.
- Gebruik hulpmiddelen, zoals audio-ondersteuning of rekentools.
- Bespreek samen met school wat werkt voor jouw kind.
Dysgrafie
Sommige kinderen hebben vooral moeite met schrijven. Ze schrijven slordig, langzaam of met pijn in hun hand. Dit heet dysgrafie. Het heeft te maken met de samenwerking tussen de hersenen, ogen en handen. Dysgrafie komt vaak voor in combinatie met dyslexie of ADHD. Een ergotherapeut of specialist op school kan helpen om dit beter te begrijpen en passende hulp te geven.
Denk je dat je kind misschien dyslexie of dyscalculie heeft? Bespreek je zorgen met de leerkracht of intern begeleider op school. Het CJG kan geen verwijzing geven.
Deze informatie is afkomstig van het CJG Rijnmond.
Ik heb een vermoeden dat mijn kind ADHD heeft. Wat kan ik doen?
Als je denkt dat je kind ADHD heeft, kan het fijn zijn om hulp te krijgen en een diagnose te stellen. Zeker als je merkt dat je kind last heeft van zijn ‘drukke’ gedrag, omdat hij bijvoorbeeld moeite heeft om te mee te komen in de klas, vaak ruzie maakt of te grote risico’s neemt.
Ga daarvoor naar de huisarts. Hij of zij kan je doorverwijzen naar een medisch specialist, zoals een psychiater, gz-psycholoog of orthopedagoog-generalist. De diagnose ADHD wordt namelijk altijd door een medisch specialist gesteld.
Vaak ontstaat het vermoeden dat een kind ADHD heeft op school. Daar valt het de juf of meester bijvoorbeeld op dat je kind het lastig vindt om taakjes waaraan hij is begonnen af te maken of dat hij tijdens de les veel moeite heeft met stilzitten en wel erg impulsief reageert. De leerkracht kan het gedrag van jouw kind objectief vergelijken met het gedrag van leeftijdsgenoten.
Hoe wordt ADHD bij een kind officieel vastgesteld?
Een hulpverlener stelt ADHD pas officieel vast wanneer het kind meer dan een halfjaar aanzienlijke last heeft van de symptomen, deze zijn begonnen voor het zeven jaar is, én het gedrag belemmerend werkt in het dagelijks functioneren. Daarnaast is het een harde eis dat het gedrag in meerdere omgevingen aanwezig is. Dit betekent dat het niet alleen op school moet opvallen, maar ook thuis, op zwemles en bij familie.
Online vind je tegenwoordig allerlei korte ADHD-testen. Besef goed dat dit nooit officiële diagnoses zijn. Zelfs een leerkracht is niet bevoegd om vast te stellen of je kind ADHD heeft. Hiervoor is echt onderzoek bij een erkende hulpinstantie vereist.
Wat is het verschil tussen ADHD en ADD?
Tot voor kort werd er onderscheid gemaakt tussen ADHD en ADD (Attention Deficit Disorder), dit is een variant van ADHD maar hierbij gaat het vooral om aandachtsproblemen. Het hyperactieve en impulsieve gedrag ontbreekt dus. Tegenwoordig spreken we minder vaak van ADD, maar van ‘ADHD onoplettende prestatie’.
Dit subtype wordt vooral bij meisjes vaak vastgesteld, en ook vaak op latere leeftijd. ADD of ADHD onoplettende prestatie valt immers vaak later op en wordt daarom vaak over het hoofd gezien. Toch kan het je kind wel veel energie kosten.
Hoewel de symptomen van ADD minder opvallen en de omgeving er weinig last van heeft, kan je kind wel last hebben van ADD. Dat leidt soms tot extreme vermoeidheid, veel piekeren, sombere gedachten en moeilijk in slaap kunnen komen. Vaak betreft het kinderen over wie in de klas wordt gezegd: ‘Het zit er wel in, maar komt er niet uit.’
Welke positieve eigenschappen horen bij ADHD?
Een kind met ADHD of ADD heeft vaak unieke en prachtige kwaliteiten, zoals een grote dosis creativiteit, doortastendheid en het vermogen om compleet ‘out of the box’ te denken. Het leven met ADHD is niet altijd eenvoudig en brengt uitdagingen met zich mee, maar het is belangrijk om ook de enorme voordelen en waardevolle eigenschappen van deze kinderen te belichten.
Een kind met ADHD of ADD bezit opvallend vaak de volgende kenmerken:
- Creatief en doortastend
- Zorgzaam en enorm spontaan
- Geweldig in het oplossen van complexe problemen en puzzels
- Het vermogen tot hyperfocus op onderwerpen die hem interesseren
- Een goed ontwikkeld empathisch vermogen en een zeer scherpe intuïtie
- Goedlachs; kan intens en vol overgave genieten
- Eerlijk en in het bezit van veel humor
- Vindingrijk in het brainstormen en bedenken van nieuwe ideeën
- Een scherp oog voor detail
Is het verstandig om je kind te laten testen op ADHD?
Het laten testen op ADHD is erg verstandig, omdat de juiste diagnose en professionele begeleiding je kind enorm helpen om beter te functioneren en zijn zelfvertrouwen te vergroten. Twijfel is heel logisch. Je bent als ouder misschien bang voor vooroordelen of een labeltje waar je kind niet meer vanaf komt. Toch biedt weten waar je aan toe bent op de lange termijn ongelofelijk veel voordelen.
Waarom testen zinvol is:
- De juiste hulp
Krijgen jullie de juiste begeleiding, dan kan je kind beter functioneren thuis en op school. Dat is goed voor het zelfvertrouwen van je kind. Tip: 8 tips om het zelfvertrouwen van je kind te vergroten
- Meer begrip
Als je weet dat je kind ADHD heeft, kun je daar als ouder op inspelen. Dat geldt ook voor school en jullie omgeving. Op school kun je (of de leerkracht) aan klasgenoten uitleggen waarom je kind zo druk is en hij zich soms anders dan anderen gedraagt.
- Erkenning en bevestiging
De diagnose kan voelen als erkenning en een bevestiging. Wat je altijd al dacht, blijkt te kloppen. Ook voor je kind kan het fijn zijn om te weten waarom hij of zij zich soms net wat anders gedraagt dan klasgenoten of vriendjes.
- Voorkomen van mogelijke depressie of stoornissen
Als je kind veel last heeft van zijn ADHD kan hij denken dat hij niet goed genoeg is, of het gevoel krijgen dat hij er niet bijhoort omdat hij ‘anders’ is. Dat doet wat met zijn zelfvertrouwen en denkbeelden. Uit onderzoek blijkt dat klachten van ADHD die niet behandeld worden bij meisjes later kunnen zorgen voor stoornissen, als een angststoornis of mogelijk zelfs een depressie.
Hoe ziet de behandeling bij ADHD eruit?
De behandeling voor ADHD bestaat meestal uit een plan met psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie en eventueel medicatie. Hoewel er geen therapie of medicijn bestaat dat ADHD volledig laat verdwijnen, zorgt een goed behandelplan ervoor dat je kind er aanzienlijk minder last van heeft in het dagelijks leven.
Deze informatie is afkomstig van Ouders van nu.
Ik vermoed dat mijn kind een depressie heeft/mijn kind is erg somber. Wat kan ik doen?
Wisselende stemmingen en dipjes, onzekerheid, rondhangen en ontevredenheid horen bij het opgroeien en ook bij de (pre)puberteit. Maar misschien vraag je je af of je kind een probleem heeft. Hoe kom je daarachter? En hoe help je je kind?
Voelt je kind zich niet oké?
Kinderen en vooral pubers kunnen veel last hebben van heftige emoties, zoals angst of somberheid. Of ze gedragen zich opstandig of onrustig en zijn moeilijk te bereiken. Dat kan te maken hebben met het karakter van je kind of met de beginnende puberteit. Tieners kunnen vaker met emotionele uitbarstingen reageren of dingen doen zonder eerst na te denken.
Nare gebeurtenissen of grote veranderingen zoals een scheiding of verhuizing kunnen er (tijdelijk) voor zorgen dat je kind emotionele problemen heeft. Of misschien zijn er problemen in jullie gezin.
Hoe herken je een depressie bij je kind?
Als je kind zich twee weken of langer erg somber en wanhopig voelt, heeft hij of zij misschien een depressie. Je kind heeft dan geen zin om dingen te doen, is niet meer vrolijk, huilt misschien veel of is heel stil en vindt niets meer grappig. Lichamelijke klachten zijn vaak buikpijn, hoofdpijn of hyperventilatie. Thuis of op school is je kind waarschijnlijk afwezig en ongeïnteresseerd.
Depressieve kinderen zijn meestal ook onzeker. Ze kunnen zich waardeloos voelen en een mislukkeling. Of je kind is ontevreden met zijn of haar lichaam. Depressieve kinderen raken vaak het contact met vrienden en vriendinnen kwijt.
Depressies kunnen ontstaan door veranderende hormonen, aanleg of nare gebeurtenissen of allebei.
Lees op thuisarts.nl meer over een depressie bij jongeren.
Op Gripopjedip.nl kan je kind een online test en cursus doen.
Hoe kun je je kind met psychische problemen helpen?
Praat met je kind over zijn of haar gevoelens. Laat merken dat je van je kind houdt en dat je wilt begrijpen waar het mee zit. Laat je kind vertellen waar hij of zij mee zit en wuif het niet weg met een zinnetje als: 'Doe niet zo gek.'
Als je kind zegt dat het maar beter dood kan zijn, is dat schrikken voor jou. Toch is het goed om ook hierover samen te praten. Je maakt het daarmee niet erger, het helpt je kind juist als hij of zij die gedachten uit kan spreken. Kijk voor meer informatie op 113.nl. Of bel 0800-0113.
Zeg dat je de gevoelens van je kind begrijpt. Sta open voor alles wat hij of zij te vertellen heeft. Oordeel niet meteen, maar probeer met je kind mee te denken. Vraag je kind hoe je kunt helpen.
Zorg dat je weet wat je kind bezighoudt. Toon interesse en laat merken dat je kind bij jou terecht kan als hij of zij ergens mee zit.
Ritme in de dag houden is heel belangrijk. Probeer erop te letten dat je kind op tijd gaat slapen en op de normale tijd weer opstaat. Naar school blijven gaan en gezond eten helpt ook.
Soms ligt er te veel druk op je kind, bijvoorbeeld om goede cijfers te halen op school of voor het sporten. Probeer je kind eigen, niet te hoge doelen te laten stellen. Help je kind op tijd rust en ontspanning te nemen.
Probeer het zelfvertrouwen van je kind te versterken.
Een somber of depressief kind kan het best actief blijven. Vooral bewegen in de buitenlucht werkt goed, maar ook een klusje of iets leuks doen helpt misschien. Vraag je kind bijvoorbeeld om ergens bij te helpen. Zo geef je je kind minder kans om alleen op de kamer te zitten piekeren.
Als je je zorgen maakt om je kind, praat dan ook op school met de leerkracht of de mentor. Hoe gaat het op school? Herkennen ze je zorgen? Ook als de school jouw zorgen niet herkent, kun je advies of hulp zoeken.
Wanneer zoek je hulp voor je kind?
Heb je zorgen over je kind, blijf er dan niet te lang mee rondlopen. Bespreek je zorgen met de huisarts of met de jeugdarts van de Jeugdgezondheidszorg. Die kan samen met jou en je kind bekijken of er hulp nodig is.
Als je merkt dat je kind dingen hoort of ziet die er niet zijn, of heel verward raakt, ga dan naar de huisarts of bel 112 in crisissituaties. Neem altijd direct contact op als je kind een gevaar is voor zichzelf of anderen.
Deze informatie is afkomstig uit de GroeiGids
Mijn kind heeft faalangst en is erg onzeker. Wat kan ik doen?
Faalangst betekent dat je bang bent om iets te doen, omdat het misschien niet lukt. Hoe herken je faalangst bij je kind? En wat kun je doen als je kind bang is om te falen?
Wat is faalangst?
Iedereen is wel eens bang om iets verkeerd te doen. Zeker als het belangrijk is. Maar een kind met faalangst is heel vaak bang om dingen te proberen of door te zetten. Hij of zij denkt dat het toch niet lukt. Door die angst gaat het soms inderdaad mis. Het kind denkt dan: zie je wel, ik kan het niet. Door faalangst kunnen kinderen zich slecht voelen over zichzelf en minder zelfvertrouwen krijgen. Faalangst zie je vooral bij kinderen tussen 10 en 13 jaar.
Positieve en negatieve faalangst
Faalangst kan positief of negatief zijn. Positieve faalangst moedigt je aan om iets goed te doen. Bij negatieve faalangst blijf je alleen maar denken aan wat er fout kan gaan. Je probeert het niet eens meer, en het lukt dus ook niet. Negatieve faalangst maakt dat kinderen minder presteren dan ze eigenlijk kunnen. Wat dan minder goed gaat, is bijvoorbeeld:
- Leren, een spreekbeurt houden, een toets maken;
- Sporten, wedstrijden of optredens;
- Spreken voor een groep;
- Voor jezelf op komen.
Hoe herken je faalangst?
Faalangst bij je kind merk je zo:
- Je kind durft niets te zeggen of vragen en is verlegen;
- Je kind begint niet aan iets moeilijks of stelt het uit;
- Je kind is zenuwachtig over een moeilijke taak;
- Je kind geeft snel op: ‘Dat lukt toch niet!’;
- Je kind heeft weinig zelfvertrouwen en een negatief zelfbeeld: ‘Dat kan ik niet!’;
- Je kind maakt dingen die wel lukken kleiner: ‘Dat was geluk, normaal zou ik dat nooit kunnen!’;
- Je kind piekert veel.
Je kind kan zich ziek of misselijk voelen als hij of zij ergens tegenop ziet. Hij of zij kan onrustig zijn, veel zweten, snel blozen of last hebben van hartkloppingen, hyperventilatie en een droge mond. Sommige kinderen met faalangst stotteren, hebben trillende handen, maken geen oogcontact of moeten vaak naar de wc. Sommige kinderen hebben buikpijn en hoofdpijn. Sommige kinderen eten slecht.
Hoe zorg je dat je kind geen faalangst krijgt?
- Geef je kind een compliment als hij of zij iets moeilijks probeert. Ook als het mislukt.
- Kraak je kind niet af als iets niet lukt.
- Leg geen nadruk op prestaties. Doe niet overdreven enthousiast als iets lukt en negeer het ook niet helemaal als het niet lukt. Doe er gewoon over. Soms lukken dingen nu eenmaal niet;
- Verwacht niet te veel van je kind, maar ook niet te weinig.
Hoe help je een kind met faalangst?
- Praat met je kind als het bang is om te falen. Laat merken dat je het serieus neemt. Zeg dat je begrijpt hoe je kind zich voelt;
- Zeg dat je merkt dat je kind iets lastig vindt, maar laat merken dat je dat normaal vindt. Maak het negatieve gevoel van je kind niet groter.
- Laat niet merken dat je bezorgd bent. Blijf rustig en straal vertrouwen uit;
- Kinderen met faalangst kijken meestal alleen naar wat niet goed gaat. Het helpt om samen met je kind te kijken naar dingen die wel goed gaan. Zeg tegen je kind: ‘Je noemt twee dingen die niet goed gingen. Noem er nu eens twee die wel goed gingen.’
- Help je kind meer zelfvertrouwen te krijgen. Laat merken dat jij gelooft dat dingen wél zullen lukken. Geef complimenten als je kind iets probeert wat hij of zij moeilijk vindt. Ook als het niet meteen lukt, maar je kind blijft proberen;
- Wees niet te beschermend en probeer niet alles voor je kind op te lossen. Dan krijgt een kind vaak juist meer faalangst.
- Heeft je kind een moeilijke taak, bijvoorbeeld een spreekbeurt maken? Verdeel de taak samen in kleine stapjes. Vertel na ieder ‘stapje’ dat het goed gaat.
- Laat je kind dingen zelf doen. Zo geef je je kind niet het gevoel dat hij of zij niet zonder hulp kan;
- Geef je kind niet het gevoel dat alles perfect moet zijn. Zeg ook niet dat je kind spontaan of flink moet zijn. Dat kan niet als een kind zich niet zo voelt;
- Doe samen dingen waarbij het niet om prestaties gaat, zoals schilderen of picknicken;
- Vergelijk je kind niet met anderen;
- Bespreek de angst van je kind met de leerkracht op school. Die heeft hier ervaring mee en kan je kind vaak helpen.
Welke hulp is er bij faalangst?
Helpen de adviezen hierboven niet genoeg en maak je je zorgen? Praat erover met de huisarts of jeugdarts bij de jeugdgezondheidszorg. De huisarts of de jeugdarts kan je kind ook verwijzen naar een psycholoog. Sommige scholen kunnen een faalangsttest laten doen. Er zijn ook cursussen om met faalangst om te leren gaan. Bespreek dit met de leerkracht, intern begeleider of zorgcoördinator op school.
Deze informatie is afkomstig uit de GroeiGids
Mijn kind heeft problemen met slapen. Wat kan ik doen?
Jonge kinderen slapen soms moeilijk in of komen vaak uit bed. Hoe komt het dat een kind niet goed kan slapen? En welke manieren zijn er om slecht slapen aan te pakken?
Waarom kan je kind niet slapen?
Kan je kind een keer niet slapen? Bijvoorbeeld vanwege een nachtmerrie of een drukke dag? Dan is het meestal geen probleem.
Soms blijft dit zo en wil je kind niet (meer) alleen slapen. Probeer te begrijpen waarom je kind niet kan slapen. Praat erover met je kind. Als je weet waarom je kind moeilijk inslaapt, geeft dat jou minder stress. Je kunt dan samen zoeken naar een oplossing.
Mogelijke oorzaken van niet kunnen slapen kunnen zijn:
- Je kind zit in een groeispurt.
- Je kind wordt ziek.
- Je kind is overdag te druk geweest.
- Er zijn spanningen in huis of er zijn veel veranderingen geweest.
- Je kind heeft moeite met het loslaten van de dag. Om in slaap te vallen moet je ontspannen. Misschien is je kind nog onrustig in zijn of haar hoofd of lijf. Het ene kind heeft daar meer last van dan het andere.
- Je kind heeft weinig gedaan en is daardoor niet moe.
- Je kind gaat te vroeg naar bed.
- Je kind denkt in bed veel na over dingen. Of maakt zich zorgen.
Hoe help je je kind te gaan slapen?
- Je kind moet weten dat het op jou kan terugvallen als de angst of onrust te groot is om in slaap te vallen. Toon begrip voor de zorgen van je kind. Ga er alleen op in als het niet kan wachten. Zeg anders dat je er de volgende dag samen over praat of samen een oplossing zoekt. Houd je aan deze afspraak. Wanneer kinderen wat ouder zijn, kunnen ze erover tekenen of schrijven.
- Geef de hele dag door aandacht aan zelfstandig gedrag van je kind. Geef complimenten voor wat hij of zij zelf al doet. Laat je kind dingen doen die hij of zij zelf kan.
- Breng bij jongere kinderen de pop of knuffel van je kind samen naar het eigen bed. Praat over waarom het leuk is om te slapen in het eigen bed.
- Grotere kinderen vinden het vaak gezellig om even met hun ouder(s) alleen te zijn als hun jongere broer of zus al naar bed is. Geef je oudste kind extra aandacht. Zeg na een tijd rustig dat het nu echt bedtijd is.
- Geef je kind een compliment omdat hij of zij in het eigen bed probeert te slapen. Ook als het uiteindelijk niet lukt.
- Zorg dat je kind altijd overdag genoeg beweegt.
- Voordat je kind naar bed gaat, moet het eerst rustig kunnen worden.
Lees hoe je de dag goed kunt afsluiten voor je kind.
Hoe maak je van slapen geen strijd?
Het is belangrijk dat je niet met je kind gaat onderhandelen als het niet wil slapen. Of als je kind niet in het eigen bed wil slapen. Laat merken dat je het normaal vindt dat je kind in het eigen bed slaapt.
- Je kunt je kind laten huilen, als het een zeurend of dreinend huilen is. Hiermee zegt je kind dat hij of zij het moeilijk vindt, en dat is oké.
- Hard huilen, schreeuwen of in paniek raken helpt niet bij in slaap vallen. Probeer te voorkomen dat het zo ver komt. Ga naar je kind toe, stel je kind gerust, laat hem of haar rustig liggen en knuffel je kind weer. Zo blijf je je kind gerust stellen en een veilig gevoel geven. Het vraagt veel geduld. Dat is lastig als je zelf moe bent. Heb je een partner? Breng je kind dan om de beurt naar bed.
- Lukt het je kind om in bed te blijven liggen? Geef dan complimenten.
Zijn er manieren om je kind makkelijker in slaap te krijgen?
Er zijn verschillende manieren om het moeilijk in slaap vallen van je kind aan te pakken:
- Stap voor stap in slaap vallen
- Langzaam de kamer uit
- Belonen met een ‘bedpas’
Kies een aanpak die bij je kind past en die jij vol kunt houden. Doe het elke avond op dezelfde manier. Bespreek met je partner dat jullie het op dezelfde manier doen. Zo went je kind eraan dat soms de een en soms de ander hem of haar naar bed brengt. Vaak zie je al binnen een week dat de aanpak helpt.
1. Stap voor stap in slaap vallen
Breng je kind naar bed zoals je dat normaal ook doet, maar vertel dat je na vijf minuten even komt kijken. Doe dit ook, of je kind nu rustig of onrustig is. Vertel daarna rustig dat het tijd is om te gaan slapen. Beloof dan dat je over acht minuten weer komt kijken.
Maak de periode tussen het komen kijken steeds iets groter. Geef je kind een compliment als het lekker ontspannen in bed ligt. Dan vertrek je weer. Je blijft dus niet bij je kind. Houd je aan de afspraak dat je komt kijken. Heb je het idee dat het aantal minuten te groot is voor je kind? Kom dan eerst na twee minuten kijken. En daarna na vier minuten.
2. Langzaam de kamer uit
Bij deze aanpak ga je steeds iets verder van het bed van je kind zitten tot je uiteindelijk uit de kamer van je kind bent. De eerste dag zit je nog naast het bed van je kind. Gaat dit goed, dan zet je je stoel de volgende dag een stukje verder. Gaat ook dit goed, dan zet je je stoel nog iets verder weg.
Lukt het je kind niet om in slaap te vallen? Ga dan een stukje terug en probeer het de volgende avond nog een keer. Uiteindelijk lukt het je kind zelf in slaap te vallen zonder dat jij in de kamer bent. Je kunt de stappen zo groot of zo klein maken als past bij jou en je kind.
3. Belonen met ‘bedpas’
Reageert je kind goed op beloningen? Kan je kind niet inslapen omdat je kind moeite heeft om de dag los te laten? Of wil je kind niets missen en erbij blijven, als de rest van het gezin nog wakker is?
Dan kan een bedpas goed werken.
Het werkt zo: Je spreekt samen af hoe vaak je kind uit bed mag komen. Je kind krijgt dat aantal bedpassen. Gaat het goed, dan kan je kind een beloning verdienen. Gebruikt je kind minder passen dan hij of zij heeft gekregen? Dan geef je een extra beloning. Houd de beloning klein en gezellig: bijvoorbeeld extra spelletjestijd, extra voorleestijd of samen een filmpje kijken.
Het is leuk om de pas samen te maken. Dat geeft al extra aandacht en voelt als een beloning.
Zie je na een week geen verandering? Of vind je het moeilijk om vol te houden? Vraag dan advies bij de Jeugdgezondheidszorg.
Wat doe je als je kind niet doorslaapt?
Het is heel normaal als je kind wakker wordt omdat hij of zij moet plassen, dorst heeft of droomt. De meeste kinderen gaan weer gewoon terug in bed en slapen verder.
Het kan ook zijn dat je kind ’s nachts slaapwandelt of dat het bang is in bed. Lees wat je kunt doen bij slaapwandelen.
Soms willen kinderen dan graag bij hun ouders slapen. Ouders over de hele wereld denken hier verschillend over. Het is belangrijk dat je als ouder weet wat je wilt. Maak daar duidelijke afspraken over met je kind. Zo weet je kind ook waar hij of zij aan toe is.
Wel of geen melatonine voor je kind?
Melatonine is een stof die het lichaam zelf maakt, waardoor je in slaap kunt komen. Sommige kinderen hebben te weinig van deze stof en komen hierdoor moeilijk in slaap. Een pilletje met extra melatonine kan dan helpen. Het helpt alleen wanneer het in de juiste hoeveelheid en op het juiste tijdstip wordt gegeven.
Je kunt melatonine bij de drogist of apotheek kopen. Maar kinderartsen raden af om melatonine aan je kind te geven zonder doktersadvies.
Met de huisarts kun je uitzoeken of je kind te weinig melatonine aanmaakt. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor het inslapen niet goed lukt. Dan kan melatonine juist voor meer klachten zorgen. Dan kunnen de slaapproblemen juist langer duren. Bespreek het gebruik van melatonine dus altijd eerst met een arts.
Deze informatie is afkomstig uit de GroeiGids.
Hoe kan mijn kind omgaan met overlijden, rouw en verlies?
Als er iemand overlijdt, kan dat heel ingrijpend zijn. Wat begrijpt een kind op verschillende leeftijden van de dood? Kan je kind mee naar de uitvaart? En hoe help je je kind omgaan met het verdriet?
Hoe is het voor een kind als iemand overlijdt?
Meestal maakt een kind eerst het overlijden van een huisdier of een opa of oma of andere bekende mee. Dan kan een kind verdriet voelen en ook zien bij anderen. Soms dringt het niet zo door. Of er zijn andere emoties, zoals boosheid.
Je kunt niet altijd zien of merken dat kinderen rouwen. Afhankelijk van het kind en hoe dichtbij je kind bij de overledene stond, kan de reactie van je kind heel erg verschillen. Ook maakt de leeftijd nogal uit, zie verderop in dit artikel.
Helaas moeten sommige kinderen meemaken dat er iemand binnen het gezin overlijdt. Dat heeft natuurlijk veel meer invloed.
Je kind kan zijn vader, moeder, broer of zus heel erg missen. Maar er verandert veel meer. Andere gezinsleden hebben ook veel verdriet en gedragen zich anders. Bepaalde vertrouwde dingen binnen het gezin vallen weg. Misschien krijgt je kind minder aandacht. Misschien moeten jullie verhuizen. Of er komen misschien opeens veel meer mensen over de vloer. Of juist niet meer.
Je kind heeft jou hard nodig, terwijl je zelf ook heel veel verdriet hebt. Je wilt er zijn voor je kind maar soms lukt het door verdriet niet om genoeg aandacht te geven aan de (andere) kinderen. Sommige ouders worden te toegeeflijk, te beschermend of overbezorgd.
- Probeer het dagelijkse leven zoveel mogelijk door te laten gaan voor je kind. Hoe moeilijk dat ook is. Het gewone leven geeft houvast.
- Probeer steun te vinden bij vertrouwde mensen en hen bij je kind te betrekken.
- Zoek hulp als het je te veel wordt.
Hoe praat je met je kind over het overlijden en het verdriet?
Het is belangrijk dat een kind op zijn of haar eigen manier mag rouwen. Hoe lang het rouwen duurt, verschilt per kind.
- Bespreek open en rustig wat er is gebeurd en hoe het komt dat een huisdier of een persoon is overleden. Als je dat niet doet, kan je kind bang worden en misschien zelf dingen gaan verzinnen. Leg ook uit dat oudere mensen meer kans hebben om ziek te worden en te overlijden. Het kan je kind geruststellen als hij of zij weet dat een jonger iemand minder kans heeft om dood te gaan.
- Kinderen kunnen vragen stellen over de dood die je soms liever niet wilt beantwoorden. Toch is het goed om vragen wel zo open en eerlijk mogelijk te beantwoorden.
- Geef je kind de ruimte om verdriet te laten horen en zien. Vertel dat verdriet bij het rouwen hoort.
- De persoon die overleden is, blijft in de herinnering van je kind. Blijf over hem of haar praten met je kind en benoem leuke herinneringen. Maar dwing je kind niet om over hem of haar te praten.
- Het is ook goed om over je eigen gevoelens te praten. Vertel erbij dat het ergste verdriet overgaat. Je mag je eigen verdriet laten zien en dus ook huilen. Leg je kind uit waarom je huilt. Probeer wel te voorkomen dat je kind het gevoel krijgt dat je het niet meer aankunt. Daar kunnen kinderen bang van worden.
Neem je je kind mee naar de uitvaart?
Als je kind zelf zegt dat hij of zij mee wil naar de uitvaart, kun je je kind gewoon meenemen. Het kan kinderen helpen met het verdriet om te gaan. Soms dringt het dan beter door dat de overleden persoon echt niet meer terugkomt. Ze voelen steun en troost, en kunnen hun verdriet delen.
Wil je kind zelf niet mee? Dwing het dan niet.
Het is beter om je kind niet weg te houden bij de ernstig zieke of overleden persoon. Laat je kind ook zelf beslissen of hij of zij de overledene nog wil zien of aanraken. Wil je kind dat wel, vertel dan van tevoren wat hij of zij te zien krijgt.
Laat je kind afscheid nemen op een manier die bij je kind past. Bijvoorbeeld door een tekening te maken of een bloem neer te leggen bij de uitvaart.
Hoe rouwen kinderen op verschillende leeftijden?
Kinderen gaan anders om met de dood dan volwassenen. Wat de dood voor je kind betekent, hangt af van zijn of haar leeftijd en karakter.
Rouwen tot 3 jaar
Dreumesen en peuters snappen nog niet dat iemand die dood is, voor altijd weg is. Net als volwassenen kunnen ze heel verschillende gevoelens hebben. Een kind kan opgelucht zijn, omdat oma geen pijn meer heeft. Of dat er weer meer aandacht voor hem of haar is. Je kind kan ook verschrikkelijk boos worden.
Als iemand plotseling is overleden of het iemand binnen het gezin is, kan je kind bang worden dat iemand anders ook doodgaat.
Jonge kinderen moeten nog leren hoe ze met die gevoelens moeten omgaan.
Jonge kinderen laten gevoelens vaak niet direct zien met bijvoorbeeld huilen, maar via een omweg. Je merkt meestal dat je kind verdriet heeft door hoe hij of zij zich gedraagt. Sommige kinderen worden boos, ondeugend of onhandig. Andere willen graag helpen of vaker op schoot zitten. Op de kinderopvang kan het moeilijk gaan.
Laat je kind alle vragen stellen die het heeft. Ook als je steeds dezelfde vragen krijgt, is het belangrijk om telkens opnieuw antwoord te geven. Jonge kinderen stellen bijvoorbeeld vragen als:
- ‘Hoe lang blijft opa dood?’
- ‘Eten doden hetzelfde als wij?’
- ‘Waar gaat oma dan naartoe?’
- ‘Wanneer komt opa weer terug?’
Rouwen van 3 tot 6 jaar
Oudere peuters en kleuters kennen het verschil tussen leven en dood. Ze weten dat mensen en dieren dood kunnen gaan. Ze begrijpen alleen niet dat het voor altijd is. Ze zien de dood als iets tijdelijks (‘Opa ligt te slapen’). Ze zijn niet bang voor de dood en kunnen veel vragen stellen.
Ze gaan begrijpen dat dood met verdriet te maken heeft. Misschien kent je kind nog niet genoeg woorden om te praten over het verdriet.
Geef zo open mogelijk antwoord op de vragen van je kind.
Probeer je kind woorden te geven: ‘Ik weet dat je verdrietig bent, omdat opa dood is gegaan. Zullen we praten over welke leuke dingen jullie samen hebben gedaan?’
Je kind kan sneller boos worden of slechter gaan slapen of eten. Misschien kruipt je kind meer op schoot of vindt hij of zij het nu moeilijker als jij weggaat. ‘Kom je wel terug?’ kan je kind zich afvragen.
Vooral kleuters kunnen heftige gevoelens laten zien. Daar worden ze zelf weer bang van. Met de meeste kinderen gaat het gelukkig snel weer beter.
Rouwen van 6 tot 9 jaar
Nu begrijpen kinderen steeds beter dat de dood voor altijd is. Iemand die dood is, komt niet meer terug. Ze begrijpen nog niet wat dat precies betekent. Ze weten ook nog niet dat iedereen doodgaat. Je kind kan in de war raken of bang worden, bijvoorbeeld dat papa of mama ook doodgaat.
Op deze leeftijd heeft je kind ook interesse in de praktische dingen die bij overlijden horen. Vragen komen vaak heel nuchter over, zoals: ‘Wordt die bril ook verbrand?’ Sommige vragen lijken zelfs ongevoelig, maar je kind begrijpt de gevoelens van anderen nog niet goed. Een vraag of het buurmeisje na het overlijden van haar moeder nu een nieuwe moeder krijgt, is niet vreemd. Je kind probeert te begrijpen wat de dood betekent.
Rouwen van 9 tot 12 jaar
Op deze leeftijd weten kinderen dat alle levende dingen dood kunnen gaan. Je kind kan nu ook bang zijn voor de dood.
Kinderen op deze leeftijd vinden gevoelens als angst en verdriet soms ‘kinderachtig’. Omdat ze deze gevoelens wel hebben, gedragen ze zich soms lastig of slapen ze slechter. Al laat je kind het niet zo merken, hij of zij heeft aandacht en troost nodig.
Je kind is zich nu ook bewust van gevoelens van anderen. Misschien praat hij of zij niet met jou over het overlijden van oma, omdat je kind denkt dat jij het zelf al moeilijk genoeg hebt. Blijf dus zelf praten met je kind. Of stel voor dat hij of zij praat met iemand anders, die iets verder afstaat van de overleden persoon.
Maak je geen zorgen als je kind zich even wat minder goed kan concentreren op school. Vertel de leerkracht wel wat er aan de hand is.
Rouwen vanaf 12 jaar
Tieners weten, net als volwassenen, dat iedereen en alles wat leeft ooit doodgaat en niet meer terugkomt. In de puberteit kunnen kinderen bezig zijn met vragen als: ‘Waarom en waarvoor bestaan we?’ Bij een overlijden in de omgeving komt dit soort vragen nog meer naar voren. Dat kan verwarrend zijn en zoiets kan pubers diep raken.
Door een sterfgeval kunnen pubers veel voelen: boosheid, machteloosheid, angst, verdriet en schuldgevoel. Als je kind dit voor het eerst meemaakt, kan het zich verward voelen door al deze emoties. Tieners willen deze gevoelens soms niet toelaten en proberen dan niets te laten merken. Ze willen vaak niet met volwassenen praten over hun verdriet. Dat is normaal. Geef je kind gewoon eens een schouderklopje of sla een arm om je kind heen. Je zoon of dochter voelt dan steun en weet dat hij of zij bij je terecht kan. Ook (samen) dingen doen kan helpen.
Pubers willen bij hun eigen groep horen. Als ze door het verlies voelen dat ze anders zijn dan de anderen, zullen ze niet snel praten over hun gevoelens. Wanneer ze door het verlies juist bij een bepaalde groep gaan horen, zoeken jongeren wel steun bij elkaar. Rouwen versterkt dan de band met de groep.
Waar vind je hulp bij het omgaan met rouw?
Misschien vind je het moeilijk om je kind op een goede manier te helpen bij het rouwen. Dat is normaal als je zelf ook verdriet hebt of ook zorgen hebt over praktische en financiële zaken. Zoek steun voor jezelf en voor je kind. Vraag anderen jou te helpen en je kind te ondersteunen: grootouders, vrienden, een mentor of leerkracht op school en buren.
Hier kun je terecht voor hulp:
De jeugdgezondheidszorg en de Ouderchat.
Rouwbehandeling.nl – Over rouwbehandelingen voor volwassenen en kinderen.
Achter de Regenboog.nl – Over het begeleiden van kinderen tijdens een rouwproces. Je kunt ook de advieslijn bellen: 085 047 15 71. De stichting organiseert bijeenkomsten voor lotgenoten.
Rouwmeter voor kinderen – een zelftest voor je kind die aangeeft of je kind hulp nodig heeft bij het rouwproces.
Is gamen schadelijk voor mijn kind?
Veel kinderen houden van online games. Het is ontspannend voor ze. Welke games zijn er voor welke leeftijden? Hoe praat je over gamen en wat als je kind teveel gamet? En is geweld in games schadelijk voor je kind?
Welke soorten games zijn er?
De games die je kind online speelt, hebben meestal geen einde. Ze kunnen steeds verder gespeeld worden. Spelers kunnen online groepen vormen: clans of gildes. Die strijden dan tegen elkaar. Deze games noemen we ook wel ‘virtuele werelden’. Populair zijn bijvoorbeeld Minecraft en Runescape. Een ander voorbeeld is Fortnite Battle Royale. Dat kun je gratis spelen, maar bijvoorbeeld een extra outfit kost geld. Er zitten leuke dingen in, zoals dansjes, die zie je dan ook op het schoolplein. Het is een schietspel, maar niet heel heftig.
Vaak is de gamewereld heel uitgebreid en ingewikkeld. Door te oefenen in het spel word je steeds beter. Je gaat vooruit en je kunt je meten met anderen.
Games die geld kosten en online gokken
Soms wordt er gespeeld om geld, bijvoorbeeld bij online pokeren of de gokkasten in het spel Counter-Strike. In Nederland mag je onder 18 jaar niet online gokken. Soms lijkt een game op een goksite, en dat is verwarrend.
Je kunt verslaafd raken aan gokken. Je kind kan er te veel geld aan uitgeven. Maak afspraken over online geld uitgeven.
Welke game is er voor welke leeftijd?
Bij sommige games heeft je kind na een tijdje alle opdrachten en puzzels gedaan. Dan is het spel uitgespeeld.
Een voorbeeld van een game die je uitspeelt is Grand Theft Auto (GTA). Dit is een spel met PEGI 18. Dat betekent dat het spel schadelijk kan zijn voor kinderen jonger dan 18 jaar. Grand Theft Auto is dus niet geschikt voor jonge tieners. Het is belangrijk om te weten welke PEGI-leeftijd er bij een game hoort. Voor je eigen kind en voor vriendjes die bij jouw kind komen.
Kijk op PEGI of een game geschikt is voor de leeftijd van je kind
Leeftijdsadviezen vind je ook op Gamewijzer.nl. Op deze website lees je alles wat je als ouder of opvoeder moet weten over de populaire spellen.
Hoe praat je met je kind over gamen?
Het is belangrijk dat je weet waar je kind mee bezig is. Dat geldt ook voor gamen. Verdiep je in de wereld van je gamende kind. Toon interesse en laat je kind vertellen over een game, die hij of zij speelt:
- Wat is de bedoeling van de game?
- Wat vindt hij of zij moeilijk?
- Heeft je kind moeite om te stoppen met een game? Hoe kun je hem of haar daarbij helpen?
- Welke regels kunnen jullie afspreken over het gamen?
- Houd er rekening mee dat soms een onderdeel van een game afgemaakt moet worden. Anders moet je kind helemaal opnieuw beginnen.
- Speel af en toe samen met je kind.
Zijn jullie het altijd met elkaar eens over gamen, sociale media en internet? Of zijn er verschillen? Test het in Mediamatties. Dit is een spel voor kinderen van 10 tot 12 jaar en ouders, opa’s en oma’s. Je speelt met z’n tweeën, allebei op een eigen scherm.
Wat betekent gamen in het dagelijks leven van jongeren?
Maak je geen zorgen als je kind graag gamet. Voor veel jongeren is gamen gewoon een manier van ontspannen. En ze doen het vaak samen met vrienden.
Uit onderzoek van het Trimbos‑instituut blijkt dat de meeste jongeren (68%) gamen; bijna een derde (28%) doet dat weinig of niet. Voor de grote meerderheid is gamen een leuke hobby waar ze ook nog wat van leren. Tieners houden ook van de spanning en het tempo van games.
Huiswerk maken achter een scherm kan vermoeiend kan zijn, terwijl je door een uurtje gamen na schooltijd juist op kunt laden. Het is een vorm van spelen: je maakt plezier en werkt vaak ook samen tijdens het gamen.
Natuurlijk is wel belangrijk dat je kind ook genoeg blijft bewegen en andere leuke dingen blijft doen, ook samen met anderen.
Lees ook de adviezen over beeldschermtijd voor je kind.
Gamen levert maar voor een kleine groep jongeren (4%) problemen op.
Wanneer wordt gamen een probleem?
Gamet je kind veel? Noem het niet meteen een verslaving. Dat maakt het probleem vaak groter dan nodig. Wel is het goed om te kijken of je kind genoeg tijd overhoudt voor andere dingen, zoals school, vrienden en sport.
Op Trimbos.nl test je kind of hij of zij te veel gamet.
Op hoezomediawijs.nl vinden kinderen vanaf 10 jaar leuke tips om verstandig met gamen om te gaan.
Let wel op signalen dat gamen niet meer gezond is. Bijvoorbeeld als je kind snel boos wordt als gamen niet mag, huiswerk niet maakt of hierover liegt. Ook minder contact met vrienden of weinig meedoen in het gezin kan een teken zijn.
Maak je je zorgen? Je kunt hulp vragen. Op gameninfo.nl lees je wat je kunt doen als je je zorgen maakt over gamen bij je kind. Of bel met de Gamen Infolijn: 0900-1995.
Soms gamen kinderen om even te ontsnappen aan problemen. Ze kunnen zich bijvoorbeeld eenzaam voelen, last hebben van groepsdruk of somber zijn. Ook problemen thuis kunnen een rol spelen. Denk je dat dit bij jouw kind speelt? Probeer er rustig over te praten, ook als je kind dat moeilijk vindt.
In dit filmpje vertelt presentatrice Fiona wat je kunt doen als je kind heel veel gamet:
De youtube video wordt niet getoond omdat de cookies niet zijn geaccepteerd. Ga naar https://www.youtube-nocookie.com/embed/Q6b_5eAh7oM?rel=0 om hem alsnog te bekijken.
Hoe schadelijk is geweld in games?
Het is lastig om te zeggen hoe schadelijk geweld in games is. Het hangt af van het soort geweld en hoe echt het lijkt. En het heeft te maken met het karakter van je kind.
Voor de meeste kinderen zijn gewelddadige games niet schadelijk. Omdat ze begrijpen dat het fantasie is. Daardoor doen ze in het echte leven niet na wat ze zien of doen in de game.
Voor kinderen met psychische problemen of andere problemen kunnen gewelddadige games spelen wel gevaarlijk zijn. Ze kunnen het geweld uit de game in de echte wereld nadoen. Deze jongeren hebben ook meer kans op ‘verslaafd’ gedrag.
Games kunnen sommige jongeren beïnvloeden. Ze kunnen bijvoorbeeld: agressief worden, geweld nadoen, gevoelloos worden, bang zijn, nachtmerries krijgen of bedplassen.
Meer over gamen
Op mediawijsheid.nl lees je meer over de voordelen, nadelen en risico’s van gamen.
Op helderopvoeden.nl vind je meer over de risico’s van veel gamen.
Hoe kan ik mijn kind helpen om meer zelfvertrouwen te krijgen?
Zelfvertrouwen is iets dat je kind moet opbouwen. Als ouder speel je hierbij een belangrijke rol. Hoe geef je je kind meer zelfvertrouwen? Wat doe je als je kind verlegen of onzeker is?
Wat is zelfvertrouwen?
Zelfvertrouwen is voelen dat je iets waard bent. En voelen dat anderen van je houden om wie je bent. Een kind met zelfvertrouwen voelt zich goed. En durft dingen uit te proberen. Zelfvertrouwen heb je niet vanzelf. Elk kind moet het opbouwen.
Hoe geef je je kind meer zelfvertrouwen?
Als ouder ben je belangrijk voor je kind. Daarom zijn jouw reacties op wat je kind doet ook belangrijk. Je kind is daar heel gevoelig voor. Zeker als je die reacties vaak herhaalt. Wat kun je doen om je kind meer zelfvertrouwen te geven?
Reageer positief
Laat je kind weten welk gedrag je fijn vindt. Geef niet alleen complimenten als iets goed gelukt is. Geef ook complimenten over hoe je kind zijn of haar best heeft gedaan. Bijvoorbeeld hoe hard je kind leerde voor school, trainde voor een wedstrijd of leuke spelletjes bedacht voor zijn kleine neefje.
Het gaat niet om hoge cijfers of een wedstrijd winnen, maar om wat je kind ervoor deed. Leg de nadruk op oefenen en je best doen. Dat geeft zelfvertrouwen. Ook is het belangrijk of je kind ergens plezier in heeft. Vraag dus ook hoe je kind het vond om iets te doen.
Maak duidelijke complimenten
Geef complimenten over wat je kind doet of probeert. Bijvoorbeeld: ‘Wat heb je een mooie trui uitgekozen’. ‘Wat heb je lekker lang gevoetbald’.
Je hoeft niet alles geweldig te vinden. Als je over iedere tekening juicht, is het net of je hem of haar niet serieus neemt. Je kunt wel bijvoorbeeld zeggen: ‘Wat heb je vandaag mooie kleuren gebruikt. Ik zie dat je nu ook armen aan het poppetje hebt getekend: dat heb je goed geoefend!’
Geef complimenten over proberen en durven
Geef je kind ook complimenten als hij of zij iets probeert dat mislukt. Reageer positief: ‘Je hebt hartstikke goed je best gedaan!’ Daarmee moedig je het kind aan om het nog eens te proberen. Geef het goede voorbeeld: laat je kind zien dat jou ook niet alles meteen lukt. En dat je het dan blijft proberen.
Geef ook complimentjes als je kind iets dappers doet. Bijvoorbeeld als je kind bang is voor de tandarts, maar toch meegaat.
Toon echte interesse
Luister naar wat je kind vertelt en geef echte aandacht. Toon interesse in wat hij of zij meemaakt en belangrijk vindt. Je hoeft er geen mening over te hebben, leef en denk vooral mee. Neem de gevoelens van je kind serieus. Laat merken dat je begrijpt hoe hij of zij zich voelt. Je rot voelen en fouten maken mag. Probeer samen te bedenken hoe je kind dingen anders kan doen.
Kijk wat past bij jouw kind
Kijk goed naar hoe jouw kind is. Waar heeft je kind behoefte aan? Waar wordt hij of zij blij van? Dat zijn niet altijd dezelfde dingen als waar jij behoefte aan hebt. Verwacht geen dingen die niet bij je kind passen of die te moeilijk zijn. Kinderen krijgen dan het gevoel dat ze niet goed genoeg zijn. Misschien kun jij goed muziek maken, maar vindt je kind buiten spelen met vriendjes leuker.
Mopper niet te veel
Mopper niet te veel op je kind. Je kind kan het gevoel krijgen dat hij of zij niet goed genoeg is. Leg niet de nadruk op wat je kind niet kan en niet doet. Maar kijk wat wel goed gaat. En geef positieve tips als iets beter kan. Bijvoorbeeld: ‘Goed dat je zelf je lunchpakket hebt gemaakt. Wil je de volgende keer ook het brood opruimen?’
Laat je kind zien dat niet alles goed hoeft te gaan. Lach samen, met elkaar en om elkaar als er iets fout gaat. Bijvoorbeeld als je melk over de rand van je beker schenkt.
Wees voorzichtig met dingen verwachten van je kind
Wees voorzichtig met complimenten zoals ‘jij bent slim’ of ‘jij bent mooi’. Je kind kan dan faalangst krijgen. En denkt dat hij of zij altijd zo moet zijn. Een kind gaat dan eerder dingen niet doen, om de druk niet te voelen.
Vergelijk je kind niet
Vergelijk je kind niet met anderen. Dus niet: jij doet het beter dan andere kinderen van je leeftijd. Of: jij kan dit en dat beter dan je broer. Zeg het wel als je kind iets beter doet dan de vorige keer. Je kind leert dan om zich met zichzelf te vergelijken. Haalt je kind de beste cijfers van de klas? Ook dan is het handiger om rustig te zeggen dat je dat fijn voor hem vindt. En niet overdreven enthousiast te worden.
Stimuleer zelfstandig worden
Laat je kind zoveel mogelijk zelf doen. Zo geef je hem of haar de kans om zelfstandig te worden. Geef een compliment als een kind iets voor het eerst zelf probeert. Geef je kind taken die passen bij de leeftijd.
Lees hoe je je kind kunt helpen zelfstandiger te worden.
Wat doe je als je kind onzeker of verlegen is?
Merk je dat je kind onzeker of verlegen is? En daarom dingen niet doet? Of vraagt je kind vaak of hij of zij het wel goed doet? Heeft je kind moeite met kritiek of doet je kind opvallend stoer of grappig?
Geef dan extra positieve aandacht en werk aan het zelfvertrouwen.
Meer tips? Lees hoe je je verlegen kind kunt helpen.
Is je kind zo onzeker dat het zich terugtrekt en liever geen contact heeft met andere kinderen? Vraag dan om advies bij de jeugdgezondheidszorg. Zij kennen de ontwikkeling van je kind en kunnen je helpen en tips geven. Deze informatie is afkomstig uit de Groeigids.
Hoe help ik mijn kind om weerbaar te worden?
Een weerbaar kind heeft zelfvertrouwen en durft voor zichzelf op te komen. Daardoor kan het beter met andere kinderen omgaan, grenzen aangeven en omgaan met ruzie of pesten. Om weerbaar te zijn, heeft je kind zelfvertrouwen nodig. Dat geeft kracht om dingen te proberen, vrienden te maken en problemen op te lossen.
Heeft je kind weinig zelfvertrouwen? Dan is hij of zij vaak ook minder weerbaar.
Lees hoe je het zelfvertrouwen van je schoolkind kunt vergroten.
Lees hoe je het zelfvertrouwen van je tiener kunt vergroten.
Hoe kun je merken dat je kind minder weerbaar is?
Je kind:
durft geen ‘nee’ te zeggen als hij of zij iets niet wil. Je kind doet dan dingen tegen zijn of haar zin.
- kind komt niet op voor zichzelf als hij of zij aan de beurt is, maar laat anderen voorgaan.
- weet niet hoe hij of zij moet reageren op vervelende grapjes of pesterijen.
- is verdrietig of boos als iemand iets negatiefs zegt.
- durft geen hulp te vragen aan anderen als iets moeilijk is en trekt zich terug.
- ziet erg op tegen een taak of wordt er onzeker van.
- huilt snel als iets niet lukt of is snel beledigd.
- heeft thuis wel een mening, maar buiten de deur durft hij of zij die niet te zeggen.
- geeft anderen gelijk, ook als hij of zij weet dat het niet klopt.
Wordt je kind gepest?
Kinderen en jongeren die minder weerbaar zijn, hebben meer kans om gepest te worden. Wordt je kind gepest? Neem altijd contact op met de school. De leraar of vertrouwenspersoon kan helpen.
Thuis kun je je kind ook steunen. Zorg dat je tijd hebt en nodig je kind uit om samen te praten over de dag. Vraag hoe het is gegaan, wat er is gebeurd en hoe je kind reageert op degene die pest. Oefen samen andere manieren om te reageren, zoals rustig iets zeggen of juist niet reageren. Zo merkt je kind dat hij of zij zelf invloed heeft op de situatie.
Hoe help je je kind weerbaarder te worden?
Moedig je je kind aan om ‘nee’ te zeggen als hij of zij iets niet wil? Dat helpt bij het opbouwen van zelfvertrouwen. Kinderen die merken dat het oké is om grenzen aan te geven, durven later beter voor zichzelf op te komen. Dat helpt je kind beter omgaan met verleidingen. Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) maakte er dit filmpje over:
Tips om je kind te helpen weerbaarder te worden:
- Geef zelf het goede voorbeeld en vertel je kind over hoe jij een moeilijke situatie hebt aangepakt.
- Geef vaak complimenten en vertel wat goed gaat. Ook kleine dingen zijn belangrijk. Vraag je kind ook hoe hij of zij zelf vond dat iets ging. Zo laat je je kind denken over zichzelf en meer zelfvertrouwen krijgen.
- Respecteer de gevoelens en grenzen van je kind. Leer je kind ook de grenzen van anderen te respecteren.
- Moedig je kind aan om over gevoelens te praten en luister goed. Geef niet meteen je mening en probeer je eigen gevoelens niet meteen te laten zien of merken.
- Laat je kind zelf oplossingen bedenken en laat merken dat je vertrouwen hebt.
- Leg uit waarom grenzen stellen belangrijk is.
- Bereid je kind voor op nieuwe situaties en leg uit wat er gaat gebeuren.
- Doe samen nieuwe dingen en geef complimenten als het lukt. Praat na afloop over de nieuwe ervaring. Wat vond je kind ervan? Wat ging goed en wat was nog moeilijk?
- Moedig contact met andere kinderen aan.
- Praat met je kind over hoe hij of zij met moeilijke situaties of groepsdruk om kan gaan.
- Laat je kind sporten. Dat helpt je kind om zich sterker en zekerder te voelen.
Soms helpt een weerbaarheidstraining. Kinderen en jongeren leren daar hoe ze met woorden en lichaamstaal kunnen reageren op vervelend gedrag. Een cursus zelfverdediging kan ook helpen. Vraag hiernaar bij school, de jeugdgezondheidszorg of je huisarts.
Deze informatie is afkomstig van de Groeigids.
